Wat drie jaar Spanje me heeft geleerd
Ik ging op mijn 24e naar Spanje in de overtuiging dat ik dit aankon. Op mijn 18e was ik immers al uit huis gegaan en had ik alles zelf gedaan. Spanje zou geen probleem zijn. Nou.
Door Bob van Woesik, laatst bijgewerkt 2026-06-04
Wat Spanje me leerde, was niet dat ik het niet aankon
Ik ging op mijn 24e naar Spanje, in de overtuiging dat ik dit aankon. Op mijn 18e was ik immers al uit huis gegaan, naar de andere kant van Nederland voor mijn opleiding, en daar had ik álles zelf gedaan. Woning, werk, belastingen, gemeente, dokter. Geen probleem. Spanje zou geen probleem zijn. Nou.
Wat Spanje me leerde, was niet dat ik het niet aankon. Het was dat ik andere dingen aankon dan ik dacht. Vier lessen, drie jaar later.
Hulp vragen mag
Ik kwam aan in Madrid met het idee dat ik alles zelf zou doen, omdat ik dat altijd zo had gedaan. In Nederland werkte dat. Daar is alles ingeregeld: je vult een formulier in, je krijgt een brief terug, je hebt je antwoord. En als er iets misging, kon ik mijn ouders bellen.
In Spanje werkte dat niet. Niet omdat de Spanjaarden minder behulpzaam zijn, eerder het tegenovergestelde. Maar omdat het systeem ervan uitgaat dat je iemand kent die je helpt. Een gestor, een vriend met ervaring, een buurvrouw die het al eens heeft gedaan. Wie het alleen probeert, loopt vast. Niet omdat hij te dom is, maar omdat het systeem niet voor solo-zoekers is ontworpen.
Mijn vorige blogs gaan over die vastlopers. Pas toen ik leerde vragen, kwam ik vooruit.
Geduld werd noodzaak
Wachten was nooit mijn ding. Bij stoplichten in Nederland drukte ik vijftien keer op de knop, alsof dat ergens toe zou leiden. Toen ik mijn Spaanse vriendin leerde kennen, had ik al wat gewend, maar ik bleef het type dat overal tien minuten te vroeg arriveert. Mijn Spaanse vrienden waren standaard een kwartier te laat. Soms een halfuur. En niemand vond dat raar.
In het begin maakte me dat gek. Inmiddels is het anders. Wachten brandt niets af. Iets later aankomen brandt niets af. Niemand kijkt ervan op. En weet je wat het gekke is? Het geeft rust. Niet de berusting van "ik geef het op", maar de rust van "het komt wel goed, vandaag of morgen".
Ik geloof niet dat ik ooit een Spanjaard word op dit punt. Maar de Nederlander in mij is wel rustiger geworden.
Genieten met minder
Toen ik mijn eerste Spaanse loonstrook in mijn handen had, schrok ik. Het was ongeveer hetzelfde bedrag dat ik in mijn tussenjaar na de middelbare school bij de Action verdiende. Voltijd, weliswaar, maar dat zegt vooral iets over de Action en het tussenjaar van een achttienjarige, niet over het inkomen van een volwassene die net was geëmigreerd.
Wat ik niet meteen begreep, was dat het bedrag niet hetzelfde verhaal vertelde. In Spanje is een biertje op het terras twee euro. Een *menú del día* is tien euro. Een appartement in Madrid is duur, maar buiten Madrid betaal je voor een ruim appartement minder dan voor een Amsterdamse studio. Het geld doet meer.
En misschien belangrijker: je leert om minder dingen nodig te hebben. Een terras, een biertje, een goed gesprek. Dat is op de meeste avonden genoeg.
De dag dat ik om een kip vroeg
Tijdens mijn full-immersion Spaanse cursus stampten we de hele dag woordenschat. Een van de dingen die ik maar niet onthield, was het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk. Na zo'n dag stampen vroeg mijn partner of ik even langs de *pollería* kon, de kipwinkel, voor een kilo *pollo*.
Ik stond in de rij, vol trots dat ik mijn nieuwe Spaans ging gebruiken. En toen schoot me iets te binnen. *Pollo* is mannelijk. Maar we eten toch geen mannelijke kippen, dachten we? Dus de logische vorm moest vrouwelijk zijn: *polla*.
Vol overtuiging bestelde ik een kilo *polla*.
De medewerkers achter de toonbank schoten in de lach. De klanten in de rij erachter ook. Ik snapte er niets van. Ik had toch netjes de vrouwelijke vorm gebruikt, zoals een goed taalstudent betaamt.
Pas thuis, na navraag bij mijn partner, begreep ik wat ik had besteld. *Polla* is geen vrouwelijke kip. Het is plat Spaans voor het mannelijk geslachtsdeel.
Sinds die dag heb ik mijn lidwoorden geleerd. En sinds die dag weet ik ook dat een taalfout maken in een Spaanse winkel niet erg is. Spanjaarden lachen niet om je, ze lachen mét je. En een verhaal om mee thuis te komen heb je ook.